Percutane niersteen verwijdering (PNL)

Wanneer u een vage pijn achter in uw de rug heeft of in de omgeving van de nieren, kan het zijn dat u last heeft van nierstenen. Dergelijke stenen hoeven niet altijd of continu klachten te geven. Hele kleine nierstenen kunnen uw nier verlaten en met de urine worden uitgeplast. Nierstenen geven klachten als ze vast blijven zitten in het nierbekken of in de urineleider (de verbindingsbuis tussen de nieren en de blaas). 

Onderzoek door de uroloog heeft aangetoond dat bij u een steen aanwezig is in de nier. In overleg met de uroloog heeft u besloten deze steen te laten verwijderen via een operatie: een percutane niersteenverwijdering, ook wel Percutane Nefro Litholapaxie (PNL) genoemd.

Reden voor verwijdering
Er zijn diverse redenen om tot verwijdering van een niersteen over te gaan. Bijvoorbeeld heftige pijnaanvallen (kolieken), stuwing van de nier, infecties of een verminderde functie van de nier.

Operatietechniek
Voor het verwijderen van moeilijk bereikbare stenen in de nier, gebruiken de urologen in  het Anna Ziekenhuis de percutane niersteenverwijdering als operatietechniek. Deze methode wordt ook Percutane Nefro Litholapaxie (PNL) genoemd. Percutaan betekent ‘door de huid’. Hierbij wordt de niersteen verwijderd via een buisje dat via een sneetje uw huid wordt ingebracht in de nier. Een voordeel van deze operatietechniek is dat er slechts een klein litteken ontstaat, op uw rug. 

Voor een percutane niersteenverwijdering (PNL) verblijft u 3 tot 5 dagen op de verpleegafdeling van ons ziekenhuis. De operatie vindt plaats onder algehele verdoving (narcose). Soms blijkt tijdens de operatie dat de niersteen een groot gedeelte van het nierbekken beslaat. Zo’n steen kan soms niet in 1 keer verwijderd worden met een  PNL. Dan is nabehandeling nodig, bijvoorbeeld met een niersteenvergruizer, een URS ( ureterenscopie, kijken in de urineleider via de blaas) of nogmaals een PNL. Dit bespreekt de uroloog met u na afloop van uw operatie. 

Preoperatieve screening

Bij bureau opname bespreekt u met de anesthesieverpleegkundige en/of de anesthesioloog uw gezondheid en een door u vooraf ingevulde vragenlijst. Dan volgt lichamelijk onderzoek. Als aanvullend onderzoek nodig is, krijgt u hiervoor afspraken. Bijvoorbeeld voor de geneesmiddelenpoli. Daarna bespreekt u de verdoving. De operatie vindt plaats onder algehele verdoving (narcose).

Medicijnen

  • Als u bloedverdunnende medicijnen gebruikt, moet u dit bij de voorbereiding melden. Deze medicijnen geven een verhoogd risico op nabloedingen en zullen daarom in overleg met uw arts mogelijk tijdelijk gestopt moeten worden.
  • Wilt u uw medicijnen of een medicijnlijst van de apotheek meenemen naar het ziekenhuis tijdens uw opname.

Opnamedag en voorbereidingen op de operatie

  • Ongeveer 1 week voor uw operatie stopt u met het gebruik van bloedverdunnende medicatie.
  • Op de avond vóór uw operatie mag u vanaf 00.00 uur niets meer eten of drinken, omdat u nuchter moet zijn voor de operatie.
  • Als u ’s middags wordt geholpen, mag u ‘s ochtends een licht ontbijt.
  • Op de dag van uw opname meldt u zich op de verpleegafdeling. De verpleegkundige geeft u uitleg over de afdeling en uw operatie.

Niet vergeten

  • Geldig legitimatiebewijs meenemen
  • Medicatieoverzicht meenemen

Tijdens de operatie

Op de dag van de opname meldt u zich op de afdeling. Op uw kamer op de verpleegafdeling trekt u operatiekleding aan waarna de verpleegkundige u met uw bed naar de operatieafdeling brengt. Hier krijgt u een infuus (een naald met een slangetje) in een bloedvat van uw arm voor de toediening van vocht, medicijnen en de verdoving. Vervolgens dient de anesthesioloog de narcose toe. We controleren via bewakingsapparatuur uw bloeddruk, pols en ademhaling.

De operatie
Meestal bestaat de operatie uit twee fasen.

Fase 1
Tijdens de eerstse fase van de operatie ligt u op uw rug en kijkt de arts via de plasbuis in de blaas (cystoscopie). Hierbij brengt de arts een dun hol buisje in de blaas waar hij met speciale instrumenten door kan kijken. Vervolgens schuift hij een dun slangetje in de urineleider (ureter) op tot in de nier. Dit slangetje (ureterkatheter) komt via uw plasbuis naar buiten.

De instrumenten worden uit de blaas genomen en de ureterkatheter wordt vastgemaakt aan een blaaskatheter. Via de ureterkatheter kan later tijdens de operatie contrastvloeistof in het verzamelsysteem van de nier worden gebracht om deze zichtbaar te maken voor een röntgencamera.

Fase 2
In de tweede fase van de operatie wordt u op uw buik gedraaid en met kussens ondersteund. Deze houding is nodig, omdat de nier aan uw rugzijde van het lichaam ligt en via de huid van de rug wordt aangeprikt. in de nier wordt gebracht. De nier wordt in beeld gebracht met een echoapparaat of met behulp van röntgen- stralen waarna hij met een dunne naald wordt aangeprikt (punctie).

Als de steen groter is dan de doorsnede van de buis, dan moet de steen eerst met speciale apparatuur worden verkleind. Dit gebeurt meestal met trillingen, waarna de deeltjes worden weggenomen. Omdat de urine na de ingreep meestal bloederig is, wordt na verwijdering van de steen de holle buis vervangen door een nierkatheter (nefrostomiekatheter). Via dit slangetje wordt de urine naar buiten afgevoerd.

Soms is de steen zo groot dat hij een groot gedeelte van het verzamelsysteem in de nier opvult. Men spreekt dan van een afgietselsteen. De complete steen kan niet altijd in een keer worden verwijderd. De reststenen kunnen op drie manieren nabehandeld worden:

  • de niersteenvergruizer
  • een URS
  • nogmaals een PNL

De keuze wisselt per geval. De uroloog zal u dit met u bespreken.

Andere behandelmethode
Bij sommige complicaties kan het nodig zijn te kiezen voor een andere operatiemethode: de open chirurgische methode. Bij deze methode is de wond veel groter, omdat de nier wordt blootgelegd om de niersteen te verwijderen.

Na de operatie

U gaat naar de uitslaapkamer (recovery) waar we uw lichaamsfuncties controleren. Na de operatie is meestal een nierkatheter (nefrostomiekatheter) aanwezig die door het operatiekanaal is aangebracht en via de rug naar buiten komt. Ook het dunne slangetje (ureterkatheter) dat tijdens de operatie in de urineleider is gebracht blijft daar meestal nog nog één dag. In dat geval heeft u ook een blaaskatheter gekregen. 

Na de operatie wordt soms nog een röntgenfoto gemaakt, in sommige gevallen ook met contrastvloeistof dat via de nierkatheter wordt ingebracht.

Meestal worden de slangen in stappen verwijderd. Uw uroloog bepaalt de volgorde.

Eén tot twee dagen na de verwijdering van de katheter kan er nog wat urine lekken, dit stopt vanzelf. Hiermee kunt u in principe het ziekenhuis verlaten.

Gaat u met een nierkatheter naar huis, dan krijgt u hierover een aparte folder.

Opnameduur
De gemiddelde opnameduur is 3 tot 5 dagen, afhankelijk van uw herstel.

Controleafspraak
Na enkele weken komt u op controle bij uw arts. Meestal wordt er dan een röntgenfoto of echo gemaakt.

Mogelijke complicaties

Een percutane niersteenverwijdering is een veilige methode. De hieronder beschreven complicaties komen bijna niet voor.

  • Soms lukt het niet de nier op de juiste manier aan te prikken om bij de steen te komen. Heel soms is het dan een open chirurgische operatie nodig om de steen te verwijderen.
  • Bij het maken van het kanaal tussen de rughuid en de nier met de naald komt het heel soms voor dat andere weefsels geraakt worden. Er kan bijvoorbeeld een bloeding ontstaan of een darmlis geraakt worden. In dat geval is ook een open chirurgische operatie nodig. Soms wordt voor een andere techniek gekozen.
  • Er wordt een kanaal gemaakt van de nier tot buiten het lichaam, waardoor de kans bestaat op een urineweginfectie. Om dit te voorkomen wordt meestal tijdens en na de operatie antibiotica gegeven.
  • Kleine deeltjes van de steen kunnen in de urineleider komen. Meestal verdwijnen zij spontaan uit het lichaam, maar soms moeten zij later verwijderd worden.
  • De urine kan lange tijd na de ingreep wat bloederig zijn.
  • Het is ook mogelijk dat u nog wat reststeentjes (gruis) uitplast. Dit geeft soms een schrijnende pijn.
  • Soms heeft u een branderig gevoel bij het plassen in de eerste week na de operatie.
  • Bij koorts boven de 38,5° C raden wij u aan de behandelend arts te waarschuwen.

Leefregels

  • Na de operatie wordt bedrust voorgeschreven.
  • Voor een goed herstel moet u de eerste weken minstens 2 liter vocht per dag drinken. Vooral als uw urine nog wat bloed bevat is dit belangrijk. Zo wordt de blaas op natuurlijke wijze ‘gespoeld’ en zal de urine snel weer lichter van kleur worden.

Verdere controles/behandelingen

Wij maken met u een afspraak voor een controle op de polikliniek. Tijdens deze afspraak bespreekt u met uw uroloog of de klachten van vóór de operatie zijn verminderd en hoe het plassen op dat moment gaat.

Heeft u nog vragen?

Deze informatie is niet bedoeld als vervanging van de mondelinge informatie, maar als een aanvulling hierop. Hierdoor is het mogelijk om alles nog eens rustig na te lezen. Deze informatie is van algemene aard en is bedoeld om u een beeld te geven van de zorg en voorlichting die u kunt verwachten bij een percutane niersteenverwijdering. In uw situatie kunnen andere adviezen of procedures van toepassing zijn.

Heeft u nog vragen, neemt u dan contact op:

Tijdens kantooruren
Polikliniek urologie, telefoon 040 - 286 48 65.

Buiten kantooruren
Na 17:00 uur en in het weekend met de afdeling spoedeisende hulp (SEH), telefoon 040 - 286 48 34.

 

Deze informatie is samengesteld door het Steenteam Zuid-Oost Brabant & Noord Limburg. Dit is een samenwerkingsverband tussen de urologen van diverse ziekenhuizen.